Het Wak

Het Wak
Over hoogbegaafheid (4)

Een gure windvlaag sloeg om de Westerkerk heen. Derk huiverde in zijn dikke winterkleren. Hij had besloten te gaan schaatsen op de Keizersgracht en dat zou hij dan ook doen. Maar hij twijfelde er even aan of het wel een goed idee was geweest. Umar lag nu ongetwijfeld in hun warme bed te genieten van de inactiviteit van deze Kerstochtend. Maar Derk kon niet ontspannen als het Kerst was. De Kerstvieringen van vroeger hadden een onuitwisbare nare herinnering bij hem achtergelaten. Niet dat er speciale dingen gebeurd waren: hun gezin had de dagen gevierd als ieder ander in de gemeenschap. De onontkoombare rituelen en de terreur van de vanzelfsprekendheden drukten nog steeds zwaar op hem. Was er maar eens wat gebeurd! De betekenisloosheid van de tradities gaf hem het gevoel dat zijn hart uit zijn lijf verdween. Hij huiverde, en wenste dat hij deze gedachten eindelijk van zich af kon zetten. Er was geen reden om toe te staan dat het verleden zijn heden beinvloedde, en toch overkwam hem dat bij tijden.
Op het homomonument gezeten deed hij zijn schaatsen aan. De marmeren stenen van het monument waren ijskoud aan zijn achterste, maar de wind was hier iets minder fel. Hij haastte zich om snel zijn bloedsomloop in beweging te kunnen zetten. Zonder bijzondere zorg voor zijn innerlijke kachel zou hij ter plaatse aan het monument vastvriezen. Hij stak de straat over en daalde daar via het tweede deel van het monument naar het water van de Keizersgracht af. Her en der lagen wat bevroren bloemen. Toeristen die deze plek bezochten, lieten vaak aan de waterkant iets van hun emoties achter. Nooit naast de kerk: misschien lag dat deel van het monument daarvoor te groot, te open op het plein. Het blootstellen van gevoelens vereist een zekere intimiteit. De kleine driehoek bij het water nodigde uit tot het tonen van kwetsbaarheid. Hij had er mensen zien huilen, zomaar, midden op de dag. Nu was er natuurlijk niemand. Wie ging zijn geschiedenis en zijn doden herdenken in de vrieskou van een Kerstochtend?
Vlak voor hem remden een paar schaatsers af voor de brug. Ze groetten, praatten even met elkaar over de kwaliteit van het ijs, en vertrokken toen weer richting Brouwersgracht. Hij popelde om te volgen maar merkte dat hij bij het monument de gracht niet opkon. De eerste voet die hij voorzichtig liet zakken, kwam in het ijskoude water terecht. Met beschermers om zijn ijzers liep hij terug naar de straat. Een eindje verderop lag een bootachtig geval, één van de wrakken die in ijsvrije tijden beladen met rumoerige mensen het leven op en om de poëtische grachten transformeerde in een ordinair waterfestival met zuipschuiten. Her en der lagen de tassen en schoenen van schaatsers over de boot verspreid. Ze straalden vertrouwen uit in een mensheid die niet zou toestaan dat hun eigenaren op Kerstochtend beroofd en zonder schoeisel huiswaarts moesten keren. Derk glimlachte vanwege dit dorpse teken van hoop. Bijna had hij zijn rugtas erbij gelegd, maar zijn eigen hoop was niet zo groot dat hij risico’s durfde te nemen. Voorzichtig zette hij zijn ijzers op het ijs. Het hield, maar toen hij ging staan, golfde er water van onder de boot over het ijs heen. Vlug zette hij vaart naar het midden van de gracht.
Het ijs was prima, ondanks wat scheuren en ribbels. En nergens was het zo leuk schaatsen als temidden van eeuwenoude monumenten en woonboten. Eigenaren van woonboten zijn niet onverdeeld enthousiast als het gemeentebestuur van Amsterdam besluit het spuien van sommige grachten te staken om bevriezing een kans te geven. Het tijdelijk uitblijven van de belangstelling van hordes toeristen in rondvaartboten is welkom, maar deze winst wordt teniet gedaan door de komst van schaatsers, die met hun ijzers de boten beschadigen, en de rust verstoren door hun ongegeneerde belangstelling voor het interieur van de woonboten. Geërgerd wuifde een vrouw in een badjas naar Derk: rot op, schaats door, kijk voor je. Derk lachte om de ijdelheid van leden van het vrouwelijk geslacht, die zich bewonderd en begluurd waanden zelfs als een man evident niet in ze geinteresseerd was. Vol verlangen dacht hij aan het lijf van Umar in het warme bed.
Hij gleed ongehinderd voort tot hij bij de Brouwersgracht was aangekomen. Hij had geen wak of zwakke plek gezien. In geen jaren was het ijs zo goed geweest. Zijn bloed begon te stromen en hij werd langzaam van binnenuit warm. Deze fysieke gewaarwording had hij nodig want hij voelde zich koud en dood. ‘Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard’. De Kerstpreek over deze bijbeltekst was hem nog het meest van alle preken bijgebleven. De dominees van de kerkstroming waarin hij geboren was hielden niet van romantiek, dat was bekend, maar dit was zelfs in hun kerk een vrij heftig thema geweest voor de Kerstochtend. De dominee had verteld hoe Jezus in deze tekst voorspelde dat zijn komst zou leiden tot verdeeldheid tussen familieleden onderling, hoe die elkaar zouden haten en hoe het volgen van Jezus tot breuken in het persoonlijk leven van de kerkgangers zou leiden. De dominee waarschuwde tegen het zoete gezang over herdertjes en engeltjes. De realiteit was geen lief kindje in de kribbe waar allen zich in aanbidding overheen bogen, maar de hel en verdoemenis die wij allen van nature deelachtig waren. De woorden van de dominee waren erger dan de gure wind die nu vanachter de grachtenhuizen over het ijs op de gracht viel. Sinds die preek had Derk het vaak koud gehad. Langer dan anderen hield hij ‘s zomers zijn jas aan en de kosten voor zijn energienota waren bovengemiddeld. Regelmatig dwong hij zichzelf naar buiten te gaan om te joggen, schaatsen en fietsen, want het liefst zat hij binnen bij zijn eigen ideale temperatuur.
Een moeilijk kind, vonden ze hem vroeger. Teveel vragen. Overgevoelig. Toen bleek hij ook nog homo te zijn, ‘den Heere een gruwel’. Daarmee werden de sombere voorspellingen van de dominee een feit. ‘Die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig’, hadden zijn ouders geciteerd. Hij was vertrokken om een nieuw leven op te bouwen in een andere wereld. Dat was hem gelukt, maar de liefdeloosheid had hij nooit van zich af kunnen schudden. Niet stilstaan, Derk, doorschaatsen. Als je stilstaat, word je gegrepen door de kilte. Laat je bloed stromen, ga verder, laat het achter je. Derk zuchtte. Hij wist dat het waar was en sloeg zijn benen zo ver mogelijk uit, links, rechts, links, rechts, voorovergebogen en vechtend met de wind.

Om hem heen was het inmiddels een stuk drukker geworden. De eerste gezinnen met kinderen waren verschenen, bezorgde ouders die snotneuzen afveegden en onnozele kinderen die zich probeerden vast te houden aan de boten, waar het ijs het zwakst was. Jongens op wendbare short-tracks troefden de rustige lange afstandrijders op hun noren af, lachend, luidruchtig en onvoorzichtig met de kleine kinderen en hun wankele evenwicht. Vanaf de brug toonde een flinke schare mensen belangstelling voor het gebeuren op de Keizersgracht. Ze moedigden de schaatsers aan die onder hen door gleden naar de andere kant van de brug. Met enthousiasme werd geapplaudiseerd telkens als een nieuwe schaatser te voorschijn kwam of verdween.
Derk had eerder niet doorgehad dat je onder de brug door kon richting Leidsegracht. Met enthousiasme maakte hij vaart om te gaan kijken of er wellicht over de hele lengte van de Keizersgracht geschaatst kon worden. De toeschouwers zagen hem komen en begonnen te juichen en te klappen boven zijn hoofd. Hij zwaaide even naar hen maar concentreerde zich vooral op de kwaliteit van het ijs. Hij zag het pas toen hij eenmaal onder de brug schaatste. Met het veranderen van de lichtval werd een enorm wak zichtbaar, waar hij recht op af koerste. Hij kon, hij durfde niet meer af te remmen: het zou hem ongetwijfeld aan de rand of zelfs middenin het wak doen belanden. In tienden van seconden moest hij beslissen. Springen was geen optie, het wak was te groot. Bovendien kon hij zo snel niet beoordelen hoe laag de brug boven zijn hoofd hing. Hij zette nogmaals flink af, tilde zijn rechtervoet op boven het water en gleed op zijn linkervoet links langs het wak. Het ijs kraakte, het water overspoelde alles om hem heen en ineens voelde hij zijn linkervoet in het ijs zakken. Met een ruk trok hij zijn voet op. Hij viel, maar probeerde zijn val naar voren te richten. Met een smak belandde hij op krakend ijs, maar het hield hem. In paniek krabbelde hij verder, onder de brug door, alwaar hij met applaus werd onthaald. Hij had het gehaald, en hij was niet eens erg nat. Zijn vaart had hem gered.
Koeltjes wuifde hij terug naar het publiek, en schaatste meteen enkele honderden meters door, om rustig de schade op te kunnen nemen. Hij was zich doodgeschrokken. Vandaar dat de belangstelling op de brug zo groot was: binnen nu en één of twee uur zou hier zeker een ongeval plaatsvinden. Het wak was onzichtbaar voor wie zich buiten de brug op het ijs bevonden, maar de toeschouwers op de brug schenen het te weten en vermaakten zich ermee. In zijn val was hij redelijk terechtgekomen. Alleen zijn linkerknie protesteerde tegen de ondergane behandeling. Nog twee mensen kwamen in de verte onder de brug door, begeleid door vreugdekreten. Vrolijk Kerstfeest! We kijken toe welke schaatsers het gaan redden, en welke niet. Iemand zou een bord of hekje moeten plaatsen voor de onderdoorgang van de brug. Was dat te organiseren op Kerstochtend? En dan, hoe lang bleef zo’n attribuut staan in Amsterdam? Er zou altijd wel een lolbroek te vinden zijn die het een duwtje zou geven zodat het in het wak belandde. Het werd tijd om op te stappen. Hij had er genoeg van voor vandaag. In dit gedeelte van de gracht lagen er minder boten, maar niet ver van de brug af zag hij een soort steigertje liggen. Hopelijk kon hij daar omhoog klimmen naar de wal.
Hij wilde net zijn eerste voet op het steigertje zetten toen geschreeuw en gegil hem duidelijk maakten dat hij er nu niet met goed fatsoen vandoor kon gaan. Het eerste slachtoffer was gevallen: iemand was aan de ene kant onder de brug verdwenen, maar er aan de andere kant niet meer onderuit gekomen. Hoopvol keek hij om zich heen, maar behalve de twee mensen die hem gevolgd waren, bevond zich niemand op het ijs aan deze kant van de gracht. Hij moest er wel naar toe. Pas toen hij vlak bij de brug was, zag hij beweging in het wak. Dat scheelde alweer, tot zijn opluchting: hij hoefde niet af te wegen of hij op de gok het koude water in zou duiken, of de sukkel zou laten verdrinken. Aan de overkant van het wak stonden mensen die eveneens te hulp geschoten waren, maar zij konden er zeker niet bij. Hoe deden ze dat ook alweer in de kinderboeken van vroeger? Ze legden een ladder neer en kropen via de ladder naar het wak. Een moord voor een ladder, maar die was natuurlijk nergens te bekennen en er was geen tijd. ‘Hou me vast’, zei hij tegen de twee mensen achter zich, ‘aan de enkels, dan probeer ik hem vast te grijpen’. ‘Was?’, zei de man. ‘Wir sind Deutscher’, zei de vrouw. Ook dat nog, dacht Derk. Hoe kwamen Duitsers hier nou schaatsend op de gracht terecht, uitgerekend nu hij geacht werd een mens te redden? ‘Halten sie mir fest’, herhaalde hij in zijn beste Duits, ‘an meine Enkel’. Hij ging op zijn buik liggen in de hoop dat ze hem begrepen. Inderdaad greep de man onmiddellijk zijn enkels. Buikwaarts schoof hij vooruit, onder luide bemoedigingskreten van boven zijn hoofd en de overkant van het wak. Als al die mensen hun kop eens dicht zouden houden, kon hij zich tenminste concentreren.
De persoon in het wak, een jongen voor zover hij het kon zien, zag hem komen. Dat was hoopvol, de jongen was alert en bleef goed met het hoofd boven water. Naarmate Derk het wak naderde, kwam hij meer in het water te liggen. Het ijs kraakte. Die verdomde Duitser achter hem was te zwaar. ‘Gehen sie liegen’, brulde hij naar achter. ‘Nicht stehen oder sitzen, liegen’. De Duitser deed het en achter hem pakte zijn vrouw zijn enkels vast. Centimeter voor centimeter naderde Derk het slachtoffer. Toen hij bijna diens hand kon grijpen, brak het ijs onder zijn borst af. Een allesdoordringende kou overspoelde hem, maar hij voelde hoe hij met een ruk naar achteren werd getrokken. Gelukkig, aan die Duitsers had je wat. Zijn hart ging als een gek tekeer. ‘Pak mijn hand’, riep hij naar de jongen, ‘niet zeuren man, opschieten’. De alertheid van de jongen leek te verminderen, maar hij kwam toch naar voren. Derk rekte zich uit en raakte de hand van de jongen. De jongen strekte zijn arm, greep Derks handpalm en zo hielden ze elkaar vast.
Ergens klonken sirenes boven het gegil en geroep van mensen uit. ‘Zo’, zei Derk tegen de jongen om de moed erin te houden, ‘dat is alvast één. Nu gaan we je eruit trekken’. Hij had geen idee hoe hij dat moest doen. Hij voelde zich door en door verstijfd van de kou. Bovendien kon hij geen kracht zetten in zijn liggende positie. ‘Ziehen’, riep hij naar achter, ‘wir ziehen ihm heraus’. Langzaam schoof hij naar achteren. De Duitsers begrepen precies wat hij bedoelde. ‘Vasthouden, vasthouden’, zei hij tegen de jongen. Op de brug hoorde hij de mensen juichen. De sirenes waren verdwenen. Een stukje kwam de jongen op het ijs, toen brak het ijs af en verdween de jongen geheel onder water, met een gedeelte van Derk’s arm. Maar hij hield de hand van de jongen, en voelde hoe hijzelf opnieuw naar achteren getrokken werd. ‘Kom, opnieuw’, riep Derk toen hij het hoofd van de jongen weer boven water zag verschijnen, ‘volhouden, we halen je eruit’. Hij schrok van het gezicht van de jongen. Die was duidelijk ten einde raad, of aan het eind van zijn krachten, of beide. ‘Schiet op’, riep hij, ‘je bent toch geen watje of wel soms?’ Geen enkele reactie was zichtbaar in de ogen van de jongen. Derk wist niet wat hij nog kon proberen om hem bij de les te houden. De Duitsers trokken hem opnieuw naar achteren en de jongen kwam tot aan zijn schouders uit het water. Het moet lukken, dacht hij, op hetzelfde moment dat de jongen losliet en razendsnel in het water gleed. ‘Nee’, gilde hij. Hij hoorde ook de Duitsers verschrikt roepen, en daarna een ‘oh’ door het publiek gaan. Toen trokken sterke armen hem terug op het ijs.

‘We gaan duiken’, zei een stem. Twee mannen sprongen achter elkaar het wak in. Terwijl Derk nog versuft zat bij te komen op een veilige plek op het ijs, kwam de jongen alweer boven water en werd aan touwen op het ijs gehesen. Efficiënt werd hij op een brancard gelegd en afgevoerd. Derk was sprakeloos. Lag hij daar de Rücksichtslose Retter uit te hangen en zijn leven te riskeren terwijl half hulpverlenend Amsterdam achter hem stond toe te kijken? Iemand vroeg iets aan hem maar hij was te verbijsterd om het tot zich te laten doordringen. Hij kreeg een deken om zich heen. Het kon de kou die hij tot op zijn botten voelde niet wegnemen. Zijknat was hij natuurlijk. En zonder geld op de fiets naar het centrum gestapt. Hij was immers van plan geweest thuis met Umar een feestelijke Kerstbrunch te houden. Het slachtoffer had hem als dank wel een geeltje voor een taxi mogen geven, maar de jongen was helaas niet meer aanspreekbaar.
Op een of andere manier belandde hij in een politiebusje, waar men zijn gegevens en verklaring wilde opnemen. ‘Ze stonden er massaal op te wachten’, was het enige wat hij wist uit te brengen. Een vrouw buiten het busje stak haar duim op en glimlachte breed naar hem. Hij keek uitdrukkingsloos terug, niet van plan de rol van minzame mannetjesputter te gaan spelen. Pas veel later bedacht hij dat het misschien de Duitse vrouw was geweest die hem groette. De politie bood aan hem naar huis te brengen. Het voorstel zich op de Eerste Hulp te laten nakijken sloeg hij af, met de woorden dat zijn vriend de huisarts wel zou bellen, mocht hij onverhoopt toch iets blijken te mankeren. Hij beloofde de volgende dag op het bureau langs te komen om alsnog een verklaring af te leggen, hoewel hij nu al wist dat hij dat niet zou doen omdat hij het nut er niet van inzag.

‘Did you go skating or swimming?’, vroeg een lachende Umar vanuit een warm bed toen Derk nog steeds kletsnat in de slaapkamer verscheen. Door de aanblik van zijn immer stralende geliefde ontdooide de tot dan toe woordeloze Derk. Met Hollandse nuchterheid vertelde hij precies wat er was voorgevallen. Als een nymf uit de zee rees Umar uit het bed op. ‘You saved a man’, riep hij vol blijdschap uit, ‘you are a hero and I am married to him: wow!’ Ieder ander had een klap voor zijn smoel kunnen krijgen van Derk, maar toen Umar het zei, glimlachte hij. Desondanks ontweek hij Umar’s beweging, ‘first a shower’: hij was verkleumd tot op het bot. Hij kon nu beslist niets klaarmaken. Een lange hete douche gaf zijn geest weer de bereidheid tot zijn lichaam terug te keren. De waterstralen verwarmden eerst zijn huid, toen zijn bloed en zijn ingewanden, en tenslotte ook zijn beenderen. Hoeveel aangenamer was dit dan het koude vieze water van de Keizersgracht. Hij hoopte maar dat hij er vanaf kwam zonder tyfus, cholera of een andere enge ziekte. In een flits voelde hij de hand van de jongen nogmaals uit de zijne glijden. Hij huiverde. Even had hij gedacht dat hij de jongen echt had laten verdrinken. Wat een nachtmerrie op de Kerstochtend waar hij toch al een hekel aan had!
Met zijn nog nastomende lijf nestelde hij zich behaaglijk bij Umar in bed. ‘I feel completely exhausted’, waarschuwde hij. ‘You don’t need to do anything’, zei Umar opgewekt. ‘You’re a hero, and heroes are taken care of at home. I love you more than I ever did untill now. Just relax and I’ll show you’. Onder de kussen en de handen van Umar voelde Derk de resterende spanning uit zijn lichaam wegglijden. Umar maakte al zijn woorden waar, en misschien kwam het daardoor.

Want Derk kon het bijna niet geloven toen hij zichzelf ‘s avonds terugvond in de studio van AT5. Hij had nee willen zeggen toen AT5 belde, maar Umar was verrukt geweest. Televisie is het oog van de duivel, preekte de dominee toen Derk klein was. Zo groeide hij op zonder opnames van bewegende beelden om zich heen. Later in zijn nieuwe leven dichtte hij de televisie genuanceerdere kwaliteiten toe. Hij schafte een exemplaar aan en liep een stukje van zijn achterstand in. Het was geen groot gemis geweest. Hij kon niet meepraten over Pipo de Clown of Flipper of The Beatles, en hij zag de moord op president Kennedy pas vele jaren na dato. Daar was overheen te komen. Tegenwoordig bleef hij voldoende op de hoogte van actualiteiten zoals oorlogen, presidentiële sigaren, volksopstanden en Big Brother-programma’s, maar een echte televisie-fan was hij nooit geworden. Dus toen de journalist aanving met zijn inleiding, vroeg Derk zich af waar hij aan begonnen was.
Een lichte angst bekroop hem. Hij was teveel geschrokken, de emoties zaten hem nog te hoog. Hij wilde daarover niet praten ten aanschouwe van Amsterdam en omstreken. Veel meer dan ja antwoordde hij niet op de eerste vragen van de journalist. Een heldhaftige daad, zo noemde de journalist wat Derk gedaan had. Wat kon hij anders doen dan dat bevestigen? Hoe het kwam dat Derk had ingegrepen waar alle anderen slechts toekeken, wilde de journalist weten. ‘Ze konden er niet bij’, zei Derk laconiek. Volgens de journalist hadden de mensen best van de brug af kunnen klimmen. ‘Dat betwijfel ik, dan waren ze toch te laat geweest’, zei Derk. Hadden de mensen dan niet langs het wak heen naar de andere kant kunnen schaatsen? ‘Levensgevaarlijk, je moet er niet aan denken dat er een heel leger mensen in het wak onder die brug had gelegen’, meende Derk. Maar had Derk niet gezegd dat de mensen erop hadden staan wachten? ‘Dat kwam door de schok, door de schrik’, dacht Derk. De journalist hield vol. Hij wilde weten waarin Derk zich onderscheidde, anders was dan andere mensen. Een makkelijke vraag. ‘Ik ben hoogbegaafd’, zei Derk. Niet dat hij dat wilde zeggen; het was gewoon het eerste wat in hem opkwam. Hij kon zijn tong wel afbijten.

De journalist zweeg even, verbaasd. ‘Dus u bent hoogbegaafd’, vroeg hij dubbelop, waarschijnlijk om tijd te winnen. ‘Ja’, zei Derk beduusd. Hij kon het nu moeilijk gaan ontkennen. Hij wist niet hoe hij zich hieruit moest redden. Het ontbrak hem aan media-ervaring en hij was ook geen prater. ‘En u denkt dat u daarom doortastender optreedt tegenover de medemens in nood’, vroeg de journalist. ‘Nee, dat denk ik niet’, zei Derk. ‘Dat denkt u niet’, zei de journalist. ‘Nee’, zei Derk. ‘Wat bedoelt u dan precies?, vroeg de journalist. Tja, wat bedoelde hij eigenlijk? ‘Daardoor ben ik vaak wat gevoeliger geweest dan anderen’, zei Derk. De emoties schoten uit zijn lichaam omhoog. Het lag hem op de lippen om over vroeger te beginnen. Hij wist dat hij zich de woorden van strenge dominees minder zou hebben aangetrokken als hij ze niet zo goed, tot op hun fundamentele waarden, begrepen zou hebben. Als hij had kunnen leven met veroordeling en haat. Zou hij dat hier bij AT5 gaan zitten vertellen? Half Amsterdam zat misschien naar hem te kijken. Het idee dat zijn collega’s op het werk over dominees zouden kunnen beginnen, bracht hem net op tijd terug in het heden. Hij zou al genoeg moeten aanhoren omdat hij per ongeluk en publiekelijk uit zijn mond had laten vallen dat hij hoogbegaafd was. Voor de journalist zijn volgende vraag had geformuleerd, breide hij een enigszins acceptabele toelichting aan zijn mededeling vast: ‘ik moet er niet aan denken dat die jongen verdronken was’. Gelukkig kon hij spoedig hierna de studio verlaten. Umar feliciteerde hem, hij vond dat Derk het fantastisch gedaan had. Derk weet zijn complimenten meer aan de liefde dan aan objectieve observatie, maar dat gaf niet, integendeel, het verdubbelde de waarde ervan.

In de auto naar huis bedacht hij dat het gebeuren van vandaag toch alles met hoogbegaafdheid te maken had gehad. Als hij niet zo gevoelig was geweest, had het verleden hem niet op een koude Kerstochtend naar het ijs van de Keizersgracht gebracht. Dan was hij blijven liggen in het zeldzame warme liefdesnest dat het leven hem had geschonken, zonder schuldgevoel, zonder de beklemming van oordeel en zinloosheid en nutteloosheid. Hij was niet zuinig genoeg op de dag van vandaag. Hoeveel ochtenden van zijn drukke bestaan kon hij immers zo delen met Umar? Hij was ruw wakkergeschud door de dreiging van dood en ongeluk. Vanaf nu zou hij het verleden achter zich laten en het heden anders gaan aanpakken. In een opwelling sloeg hij zijn arm om Umar heen, trok hem naar zich toe en kuste hem. ‘Always man, always’, zei een blij verraste Umar, ‘only not when I’m driving, o.k?’.

© Grethe van Geffen
Amsterdam, november 1999

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *