Het witte huis

Het witte huis

Hoe lang had Jeroen voor het tuinhekje staan staren naar het gesloten, witte huis: een kwartier, een half uur, langer nog misschien? Hij wist het niet meer. Het was donker en koud terwijl hij bleef staren en de indrukken op zich af had laten komen. De vrieskou was reeds in zijn botten gekropen en hij vroeg zich net af waarom hij niet gewoon wegging, toen sterke, stevige handen in zijn nek grepen terwijl een mannenstem hem aanraadde stil te blijven staan. Iets drukte in zijn ribben, hij had geen tijd gekregen om zich af te vragen wat het was. Een tweede man stak een sleutel in het slot van het tuinhekje dat meteen open sprong, en in razend tempo sleurden ze hem door de tuin het huis in. Binnen was hij in een stoel gesmeten, waarna de twee mannen hem rustig stonden te bekijken. Er ging een zekere dreiging van hen uit, maar hij kon het verder niet benoemen. Hij had geen ervaring met dat soort dingen, in zijn hele leven was hij nog niet bedreigd of zelfs maar vroeger op het schoolplein in elkaar geslagen. Dus hij wist niet hoe hij de signalen die werden uitgezonden moest interpreteren, en hij was nuchter genoeg om het dan ook maar na te laten. Jeroen wachtte af, en de mannen deden dat ook.

Het was best wel een maffe situatie. Daar zat hij dan als een soort insluiper in zijn voormalige ouderlijk huis, terwijl hij eigenlijk allang thuis aan de borrel had kunnen zitten. Het zat helemaal niet in zijn planning om hier vandaag te zijn. Hij had een zware, vermoeiende werkconferentie achter de rug die voor hem succesvol was verlopen maar wel zijn tol had geëist. Toch was hij in een opwelling na de conferentie naar zijn ouderlijk dorp toe gereden in plaats van gewoon de weg rechtstreeks naar huis te volgen. Het was laat en het hagelde, maar hij had er ineens behoefte aan het graf van zijn ouders te bezoeken.
Na een omweg van drie kwartier reed hij in een slakkengang door de dorpsstraat, die behangen was met verlichte sterren vanwege de decembermaand. Het was druk want het was koopavond. Auto’s reden af en aan. Dat viel Jeroen altijd op, dat in een dorp waar de afstanden soms heel klein zijn, de mensen toch erg veel met de auto doen. Of misschien lag het aan de kou dat er geen boodschappen op de fiets werden gedaan in de enige supermarkt die het dorp rijk was. Naast de supermarkt stond een enorme stapel kerstbomen klaar om mee te nemen. Als die er straks nog stond, zou hij er ook even stoppen om een mooi exemplaar voor thuis uit te zoeken. In alle drukte waren Sandra en hij daar niet aan toegekomen, terwijl de kinderen er al dagen om zeurden.
Jeroen
constateerde met verbazing dat nieuwbouw in de dorpsstraat het karakter van het oude centrum fundamenteel had veranderd. Het ergerde hem maar het bracht tegelijk een glimlach op zijn gezicht. Dit soort irritatie was immers van alle tijden. De dorpsbewoner die weggaat, die wil dat alles bij het oude blijft. Als hij weerkeert, wil hij alles hervinden zoals het vroeger was. Maar de dorpelingen die achterblijven volgen hun eigen pad en ontwikkelen verder, onafhankelijk van de vertrekkers. Zij gaan vooruit, maar de migrant die weerkeert keurt het af. Voor hem voelt het alsof hem zijn wortels worden afgenomen. Zo voelde het ook voor Jeroen, maar hij begreep wel dat de oude panden die daar vroeger langs de dorpsstraat stonden, waarschijnlijk niet meer te renoveren waren geweest. De nieuwbouw was zeker mooi, maar toch leek de vertrouwde dorpsstraat nu bij een ander dorp te behoren. En de vraag was, waar hoorde Jeroen dan bij?
Daarom had hij verder geen rondje door het dorp gereden, om niet met nog meer vooruitgang geconfronteerd te worden want de werkconferentie van de afgelopen dag had al bolgestaan van dat thema; genoeg is genoeg. Hij was meteen doorgereden naar het centrum, waar de zestiende eeuwse kerk op een subtiel waarneembare terp was gebouwd. Het kerkhof lag ernaast. Bij elkaar was het een idyllisch plaatje. De hagelbuien waren inmiddels overgetrokken, de kerk tekende zich af tegen een strakke zwarte hemel. Jeroen genoot even van deze beelden, die er reeds waren zolang als hij zelf bestond, en liep toen naar het toegangshek voor het kerkhof. Het hek zat op slot; hij had het kunnen weten. Welk kerkhof is toegankelijk in de winter na zes uur ’s avonds? Jeroen keek naar de muur die het kerkhof omringde, en naar zijn dure pak. Ook vroeg hij zich af of hij in het donker het graf van zijn ouders zou kunnen vinden?
Hij herinnerde zich dat hij in de auto een zaklamp had liggen; hij liep terug naar de auto en groef de zaklamp uit het overvolle dashboardkastje naar voren. Hij richtte op de kerkhofmuur en deed de lamp aan en uit. Echt sterk was anders, maar het gaf licht. Toen hij zich ophees aan de kerkhofmuur, zag hij dat de andere kant dieper was dan waar hij nu stond. Het verschil was zeker dertig centimeter, en hij had nu al moeite om over de muur heen te komen. Hij twijfelde: zou hij zonder problemen kunnen terugkeren? Opnieuw keek hij naar zijn dure pak. En hij keek omhoog, naar de donkere lucht en de witte wolken in de verte. Was hij echt een gek die ’s nachts zijn pak scheurde aan een hek en met een zaklamp op een donker kerkhof ging dwalen in de vrieskou? Nee, dat was hij niet, hij zag er toch maar vanaf. In stilte groette hij zijn ouders en liet zich weer zakken voor de kerkhofmuur.

Echter, hij was niet klaar. Hij was ergens voor gekomen, maar waarvoor wist hij niet goed. Een zekere onrust beving hem, zoals elk jaar gebeurde tegen de kerstdagen. Soms dacht hij dat het kwam omdat kerstmis draaide om de geboorte van een kind, en hijzelf niet klaar was met zijn eigen geboorte. Over het algemeen had hij een hekel aan peuren in het verleden, maar de krachten rond het kerstfeest luisterden niet naar zijn voorkeuren. Ze brachten het onbewuste in hem in beweging, zodat hij na een zakelijke conferentie uiteindelijk niet thuis bij het haardvuur maar hier in de kou voor een kerkhof belandde. Daar was hij niet blij mee!
Dus toen was hij maar een rondje gaan lopen, gewoon om de ergernis kwijt te raken. Jeroen stond graag zelf aan het roer, maar hij moest toegeven dat dat vanavond niet het geval was. Hij werd geleid door iets wat hij niet geheel in de hand had. Een simpel rondje lopen eindigde ermee dat hij via wat achtertuinen bij het tuinhekje voor zijn voormalige ouderlijk huis belandde. Hij wilde het huis aanraken, maar het tuinhekje hield hem tegen, het zat op slot.
Vroeger was dat tuinhekje er helemaal niet, je kon gewoon doorlopen. Het was een open huis geweest, volledig onderdeel van het dorp waar het zich bevond. Hoe anders was het nu, hij had er met verbazing naar staan kijken. De bakstenen en zelfs de dakranden van het huis waren helemaal wit geverfd. Voor alle ramen en deuren zaten witte rolluiken, en die waren allemaal dicht. Het zag er kil, strak en onpersoonlijk uit. Hij had gedacht dat de bewoners met vakantie waren – of dat er helemaal geen bewoners waren, zo gesloten en onneembaar was de uitstraling van het huis.
De tuin bestond nu uit een gazon met een wasmolen in het midden. Vroeger lag er een terras van stenen, dat omzoomd werd door een simpel en goedkoop gaashek en waar altijd lekkere zitstoelen, gezellige plantenbakken en speelgoed als een traptractor of een kinderfietsje op te vinden waren. Het gazon was als een kale vlakte zonder leven. Hij scheen eroverheen met zijn zaklamp: niets te zien, de tuin was groen maar leeg. Het oude open gaashek was verdwenen, nu stonden er aan de zijkant enorme coniferen die de buren en andere passanten elk zicht op de tuin benamen.
Het huis met zijn tuin stond midden in het dorp, maar het deed er niet aan mee. Het was er, maar het interacteerde niet. Zo stond Jeroen voor zichzelf te filosoferen over het ouderlijk huis in verleden en heden toen het plotseling leek of een bankschroef zijn nek te pakken had gekregen. Zijn zaklamp werd hem uit handen genomen en hij werd gefouilleerd. Uiteindelijk kon hij doen wat hij aanvankelijk wilde, namelijk het huis van dichtbij bekijken. Maar het was van korte duur, want nu bekeken twee mannen hem en ze leken meer geïnteresseerd te zijn dan Jeroen lief was.

“Kennen we elkaar?”, vroeg de grootste man die verantwoordelijk was geweest voor de bankschroef. Hij had een grote vierkante kop en zijn ogen lagen diep in zijn kassen. Waar kwam de agressieve uitstraling van de man vandaan? Jeroen voelde het meer dan dat hij het kon analyseren. Toen kreeg hij een lichte trap tegen zijn scheenbeen. “Kan het ook praten, of hangt het hier alleen maar?”, vroeg de man. “Nee, we kennen elkaar niet”,  zei Jeroen braaf. Hij vroeg zich af of iemand hen gezien had. Het huis stond tenslotte middenin het dorp. Maar door de kou was er geen kip op straat te bekennen geweest, en hij had in een donkere hoek gestaan bij dat tuinhek. En dan die coniferen…
De man liet de stilte voortduren en Jeroen ook. De tweede man stond iets opzij met zijn armen over elkaar en observeerde Jeroen onafgebroken. Hij was slank, zijn lichaam zag er gepeesd uit en zijn blik had iets vreemds; een linkmiechel zogezegd, niet iemand waarmee Jeroen ruzie wilde krijgen. Het vervelende was, dat had hij al. Dus hoe kwam hij hier weer uit. Hij had geen idee waarom hij hier zat en wat een volgende stap kon zijn. Derhalve wachtte hij af, want daar was hij goed in.
De man boog naar hem toe: “Sta je altijd ’s avonds in het donker naar een huis te loeren?”, vroeg hij. “Kennen we elkaar?”, vroeg Jeroen nu. Hij was niet van plan zonder meer een onderpositie in te nemen. “Hoe bedoel je?”, vroeg de man. “Nou, omdat u ‘je’ tegen me zegt”, zei Jeroen. In stilte glimlachte hij maar dat duurde niet lang want de gepeesde man gaf hem een harde klap. “Niet brutaal worden”, waarschuwde hij. “Nou?”, vroeg de eerste man weer. Jeroen zuchtte, terwijl zijn hart in zijn keel klopte. Hij was flink geschrokken van de klap, maar hij wilde zich perse niet klein laten krijgen door mensen die, laten we wel wezen, minder recht hadden op het observeren van zijn ouderlijk huis dan dat hij dat zelf had. Hij besloot die visie dan maar in het midden te gooien. “Ik ben hier opgegroeid”, vertelde Jeroen, “mijn ouders woonden hier”. “Wat een kutsmoes”, zei de gepeesde man.

“Je bent hier opgegroeid”, herhaalde de andere man, “je ouders woonden hier”. “Ja”, zei Jeroen. Het leek hem een afdoende verklaring en hij deed er dus verder het zwijgen toe. Even leek het een wedstrijd ‘wie kan het langst zwijgen’ te worden. Toen boog de grote man zich dreigend naar hem toe. “Als je een smoes wilt verzinnen, moet je slimmer zijn”, zei hij, “dit is een boerendorp, eikel. Een b-o-e-r-e-ndorp. Misschien is het je niet opgevallen, maar de boeren hier zijn blank. En jij bent zwart”. “Erg zwart”, bevestigde de gepeesde man. “Dit dorp heeft helemaal geen zwarten”, zei de sterke man. “Gelukkig niet”, bevestigde de gepeesde man. De sterke man ging voort: “En we houden hier niet van zwarten die in het donker in de kou onze huizen observeren, begrijp je dat?”
Jeroen
begreep het, maar hij klemde zijn tanden op elkaar. De sterke man boog verder voorover naar Jeroen toe, en daarom zag Jeroen de klap niet die hem van achteren bereikte en die keihard aankwam. Hij schrok ervan, dit ging uit de hand lopen. Hoe was het mogelijk dat hij in een huis waarin hij in liefde was opgegroeid, nu zo in de rats zat? Die verandering was zo fundamenteel dat de nieuwbouw in de dorpsstraat waar hij zich aan geërgerd had, erbij in het niets viel. Hij raakte ervan in de war en daarom vertelde hij iets wat hij bijna nooit aan onbekenden vertelde: “ik ben geadopteerd”. “Geadopteerd”, zei de sterke man op neutrale toon, en hij liet het nog eens nadenkend over zijn tong gaan: “hij is geadopteerd”. “Een liefdadigheidsproject”, riep de gepeesde man uit, en hij gierde van het lachen. Zijn lach was hakkerig en met een tikje hysterische ondertoon, en hij nam er de tijd voor. “Kom je toevallig ook nog uit Afrika”, hikte hij na toen hij weer kon spreken.
“Inderdaad”, zei Jeroen. Er was nu toch geen redden meer aan, aangezien hij a had gezegd moest hij ook wel b zeggen. “Ik kom uit Kenia, mijn ouders hebben daar als zendeling gewerkt en ze hebben mij mee terug genomen en in Nederland verder opgevoed”. “Zozo, als zendeling, kijk eens aan”, reageerde de sterke man, “fijne mensen, je ouders, ze hadden God aan hun kant en haalden hun kinderen uit Kenia.
What the fuck heeft Kenia behalve giraffen en olifanten? Wat deden je ouders daar, apen bekeren of zo? What the fuck is er te doen voor zendelingen in Kenia, kun je me dat vertellen?”
Jeroen keek de sterke man een beetje verbaasd aan. Enerzijds verraste het hem dat de sterke man in elk geval wist dat Kenia wildparken had, hij had hem ingeschat als iemand voor wie Afrika één groot land is zonder deelgebieden. Anderzijds snapte hij de mans opwinding niet, waarom maakte hij zich ineens zo druk en begon hij grove woorden te gebruiken? En Jeroen voelde zich ook beledigd, hij beschouwde zichzelf weliswaar als Nederlander, maar dat betekende niet dat hij geen bijzondere liefde voor Kenia koesterde. Terwijl hij nog overwoog wat hij moest zeggen, kwam er al een reactie uit andere hoek. “Obama komt uit Kenia”, merkte de gepeesde man op. Hij trok er een slim gezicht bij, alsof hij een moeilijke quizvraag had opgelost. De sterke man keek zijn vriend kwaad aan en Jeroen voelde ondanks de onjuistheid van de bewering een zekere genoegdoening.

Toen ging de kamerdeur open en kwam er een keurig geklede man van in de veertig binnen met een jongen van een jaar of tien en een kerstboom. Ze bleven staan en keken naar de scène van een zwarte man die ondanks zijn dure pak onordelijk in een stoel hing, terwijl er een straaltje bloed langs zijn wenkbrauw naar beneden liep en twee andere mannen erg dicht over hem heen hingen.
“We hebben een kerstboom gekocht”, vertelde de jongen, geheel ten overvloede. De andere man, zijn vader waarschijnlijk, gaf een nauwelijks merkbaar teken en de twee belagers trokken zich terug van de zwarte man in de stoel. “U bloedt”, zei de vader. Hij haalde een keurig gestreken zakdoek uit zijn broekzak en gaf die aan Jeroen. Vragend keek de vader naar de grote man en deze begon onmiddellijk verslag uit te brengen. Hij vertelde hoe ze de observerende zwarte man bij het tuinhek aantroffen terwijl hij met zijn zaklamp de situatie verkende, en eindigde met diens afkomst uit Kenia, waarbij zijn tanden licht knarsten. Blijkbaar zat het hem nog steeds hoog.
De vader luisterde aandachtig, en wendde zich toen tot Jeroen. “Klopt dit?”, vroeg hij. “Ja”, zei Jeroen, en keek nog eens rustig naar zijn belagers, om er vervolgens aan toe te voegen terwijl hij naar de gepeesde man wees: “alleen zei hij dat Obama uit Kenia komt, en dat klopt niet”. De ogen van de gepeesde man straalden onmiddellijk woede en zelfs een soort waanzin uit. De sterke man zei niets maar hij keek tevreden voor zich uit. Beiden beheersten ze zich en zwegen. Het was duidelijk wie hier de baas was.
“Juist”, zei de vader, “en nu wilt u waarschijnlijk het huis zien want u bent hier opgegroeid”. Verrast keek Jeroen hem aan. Alles liever dan in deze stoel te blijven hangen in elk geval, dus hij gaf aan wel geïnteresseerd te zijn in een rondleiding. “In sommige kamers is het een rommel, maar ik kan wel een paar deuren openen”, zei de vader, “ik maak er echter geen uitgebreide toer van. We moeten hier helaas snel verder want mijn zoon wil de kerstboom vanavond nog optuigen, en er is morgen gewoon nog school dus hij moet toch op tijd naar bed”. “OK”, zei Jeroen. Wat kon hij anders zeggen? En zo ging de man hem voor door een huis dat hij nauwelijks herkende, aan de binnenkant net zo min als aan de buitenkant, terwijl de twee belagers in de woonkamer pogingen deden samen met zoonlief de kerstboom recht te zetten.
Alles was er nog, net als vroeger, maar toch was het huis veranderd. Technisch was er nog steeds een kelder, een bijkeuken, een overloop, het waren dezelfde slaapkamers. Maar de oude sfeer van warmte en geluk was verdwenen. Jeroen proefde leegte, misschien zelfs wanhoop. Hier werd biologisch geleefd, alle tekenen waren ernaar; maar het echte leven gaat ver boven de biologische component uit, en Jeroen miste het echte leven. Vragen stelde Jeroen echter niet. Hij voelde zich nog steeds min of meer een gevangene, en concentreerde zich op aanpassing om uiteindelijk in alle rust de buitendeur te kunnen bereiken. Gedwee volgde hij de vader door het huis die hem zijn privacy gunde en niet vroeg naar zijn indrukken.
Toen de vader de badkamer liet zien, zei hij plotseling: “ik ben ook geadopteerd”. O ja, dacht Jeroen, maar hij zei niets. Het vormde voor hem de verklaring voor de geslotenheid en de anonieme sfeer in het huis. “Mijn moeder heeft me weggegeven en ik heb nooit geweten waarom. Ik heb haar nooit gekend. Mijn nieuwe ouders hebben hun best gedaan maar voor mij werkte het niet. Het boterde niet tussen ons. Op mijn vijftiende ben ik het huis uitgegaan. Als je wordt weggegeven, weet je dat je er alleen voor staat. Ik hoor nergens thuis. Alleen in mijn zoon herken ik mij”, vervolgde de vader, “maar weet je dat ik zelfs een dna test heb laten doen om zeker te weten dat hij van mij is? Opnieuw een vreemde als familie zou ik niet verdragen hebben”.
Daar dacht Jeroen in stilte over na. Hij kende zijn oorspronkelijke familie ook niet, evenmin als het verhaal achter zijn adoptie. Zijn ouders hadden hem als klein kind meegenomen, een Nederlandse naam gegeven en dat was het. Vragen over zijn afkomst hadden ze nooit willen beantwoorden, en uiteindelijk had hij het zo gelaten. Hij had hun keuze om Nederlander te zijn gevolgd, en dat had gewerkt. Hij had een gelukkig gezin en een succesvolle loopbaan. Maar het was wel de reden dat hij altijd erge moeite had met veranderingen, zelfs als het nieuwbouw betrof in een dorpsstraat waar hij nooit meer vertoefde. Hij had snel het gevoel dat hij zijn wortels kwijt was, want hij moest ze bij gebrek aan verleden in het heden zoeken.
Minutenlang stonden de vader en Jeroen samen in de badkamer waar de tegels hun gedachten weerspiegelden. De vader zei niets meer en toen Jeroen ook geen aanstalten maakte het woord te nemen, liepen ze samen de trap af naar beneden. In het volle licht in de keuken keek de vader even scherp naar zijn gezicht: “hebben ze je geslagen?”, vroeg hij. “Een beetje, hij verzette zich”, riep de gepeesde man snel vanuit de woonkamer. “Het lijkt erger dan het is, omdat hij zwart is, zo’n huid krijgt van die vlekken”, voegde de sterke man eraan toe.
De vader legde een arm om Jeroens schouders, en begeleidde hem naar de buitendeur: “Wij discrimineren niet”, zei hij op geruststellende toon. “Het is voor de mannen allemaal een beetje apart, afijn, je begrijpt het wel”, vervolgde hij. Hij keek Jeroen nog even aan, en er was een glimp van emotie op zijn gezicht te lezen. “Als je ooit een baan zoekt, dan kom je maar langs”, bood hij ineens aan, “wij begrijpen elkaar en zouden het goed met elkaar kunnen vinden”. Jeroen bedankte hem beleefd en gaf hem een hand. “Mijn zaklamp ligt nog binnen”, zei hij. Het leek misschien kinderachtig, maar het was een flitsend ding en hij gunde zijn belagers niets. De vader knikte, liep naar binnen en kwam bijna meteen met de zaklamp terug. “Ik meen het”, benadrukte hij nog eens, “als je werk nodig hebt, is hier altijd een plek voor je”. Hij klopte Jeroen op de schouder en keek hem even na voordat hij de buitendeur achter hem in het slot liet vallen.

De stappen die Jeroen zette naar de auto waren vederlicht. Hij was een beetje duizelig, van de klappen en de schok en de verwarring. Eenmaal in de auto bleef hij eerst een tijdje zitten nadenken, maar toen bedacht hij zich dat hij beter weg kon rijden. Immers, een zwarte ’s avonds in het donker bij het kerkhof zonder duidelijk doel in een b-o-e-r-e-ndorp, wie weet wat dat nog kon oproepen.
Hij reed terug door de dorpsstraat, en zag dat de kerstboomverkoper er nog stond, naast zijn enorme stapel kerstbomen. Eigenlijk was hij er niet meer voor in de stemming – maar ja: hij kon sowieso niet bepalen wat precies zijn stemming was. De avond was uiterst merkwaardig, en op een bepaalde manier ook zeer ingrijpend verlopen. De naijleffecten van deze avond zouden nog lang aanhouden, dat wist Jeroen zeker. Er was iets bij hem aangeraakt, vanaf het moment dat hij naar het kille witte huis had staan staren tot het tijdstip waarop hem een baan werd aangeboden. Dat wat er was gebeurd omvatte meer dan Jeroen zo snel kon bevatten. Hij kon huilen en schaterlachen tegelijk. Hij voelde zowel eenzaamheid als verbondenheid. Angst en zelfvertrouwen streden in hem om een plaats op de eerste rang.
Zijn oorspronkelijke voornemen gestand doend stopte hij bij de kerstboomverkoper en stapte uit om een kerstboom te kopen. Wat zou hij nemen, een echte dennenboom of toch maar een blauwspar? “Ha Jeroen”, zei de verkoper. Jeroen’s aandacht verplaatste zich van de bomen naar de mens die ze verkocht. “He Ton”, zei hij verrast, en stak zijn hand naar hem uit. Ton was een oud-klasgenoot van de lagere school. Hij had Ton in geen tien jaar meer gezien maar hij herkende hem meteen, die was nog geen spat veranderd. “Hoe gaat het?”, vroeg Jeroen. “Met mij goed, ik woon nog gewoon hier”, zei Ton, “verlang je eindelijk terug naar het dorp? Ik dacht dat wij al jaren niet goed genoeg meer voor je waren”. Jeroen keek hem verbaasd aan: “Hoe kom je daar nou bij? Ik heb hier altijd met plezier gewoond, ik ben gewoon gaan studeren in de stad en daar toen gebleven”. “Nou ja”, zei Ton, “het geeft verder ook niet, altijd leuk als je bij mij je kerstboom koopt”. “Inderdaad”, zei Jeroen die niet wist wat hij anders moest zeggen. Zwijgend koos hij een boom uit en Ton spande er een net omheen. “Wie woont er tegenwoordig eigenlijk in het huis van mijn ouders?”, vroeg Jeroen in een opwelling. Ton haalde zijn schouders op: “nieuwkomers”, zei hij, “ze horen hier niet, maar je hebt er ook niet echt last van”. “Ik ben er net geweest”, zei Jeroen, “ze hadden een kerstboom gekocht vanavond, niet bij jou dan?” “Nee, niet bij mij”, antwoordde Ton, “dat soort lui koopt het liever in de stad, net als jij. Behalve nu dan”, voegde hij er snel vergoelijkend aan toe. “Bij jou zat het er altijd al in, eigenlijk voelde je je op de lagere school al beter dan ons, omdat je uit Afrika kwam of zo denk ik”, zei Ton, “of omdat je vader dominee was natuurlijk. Maar met ons soort ging je weinig om, dat is toch zo”. Jeroen keek hem verbaasd aan. Tot welke soort zou Ton zichzelf rekenen? En hem dan? Is het mogelijk dat een ander het verleden zo anders ervaart dan jijzelf? Konden er meerdere versies van eenzelfde jeugd bestaan? Vragen bestormden hem, zijn hoofd liep over. Hij had slechts naar het graf van zijn ouders willen gaan, en kwam vervolgens terug met vragen die de grondvesten van zijn levensbodem deden schudden. Maar hij liet het niet merken aan Ton. Die zat vast niet op zijn vragen te wachten.
Jeroen
laadde de kerstboom in, geholpen door Ton die hem nog hartelijk een hand gaf. Blijkbaar riep hetgeen Ton vertelde geen negatieve gevoelens bij hemzelf op, al vond Jeroen dat er een weinig flatteus beeld van hem geschilderd werd als arrogante domineeszoon die van ver kwam en daarom een oordeel had over het dorp. Met een hoofd vol puzzels en spinnenwebben reed Jeroen het dorp uit, om op de snelweg in een flinke sneeuwbui terecht te komen. Hij was blij dat hij nu niemand meer hoefde te spreken, hij verlangde alleen nog maar naar huis en naar Sandra. Maar snel ging dat niet in de slechte weersomstandigheden van de winteravond. In bijna twee uur worstelde hij zich door een afstand heen die hem normaal gesproken nog geen uur had gekost, maar toen was hij dan ook thuis.
Wat is thuis, dacht Jeroen, maar hij drukte die gedachte meteen weer weg. Sandra was zijn thuis, constateerde hij toen ze de deur opendeed en in de straling van het licht naar hem glimlachte. Hij had geen dna test nodig gehad om het vertrouwen te hebben dat zijn kinderen van hem waren, bij hem hoorden. Zijn thuis was veilig.

Verschenen in de verhalenbundel 11, verkrijgbaar in de boekhandel en via http://www.diversityshop.nl/boeken/de-verhalenbundel-11

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *